Er is veel debat over de volkstellingen en het aantal Armeniërs dat binnen het Osmaanse Rijk leefde. Het staat echter vast dat de officiële volkstelling van het Osmaanse Rijk in 1914, dus voordat de Eerste Wereldoorlog en de relocaties begonnen, zegt dat ‘er precies 1.234.671 Osmaanse onderdanen zijn met Armeense voorvaders’. Frappant hierbij is dat de verantwoordelijke van de volkstellingen in het Osmaanse Rijk in 1914 geleid werden door een Armeense functionaris. Tevens was de minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet van 1912 ook van Armeense afkomst.

 

De situatie voor 1915 brengt ons terug tot de negende eeuw ten tijde waarvan de Centraalaziatische Turken en Middenoosterse Armeniërs voor het eerst in aanraking kwamen met elkaar. Zoals zo vaak in die tijd was dit geen vriendschappelijk contact, maar één met oorlog. Het veranderde in 1071 toen de Seldjoekse Turken Anatolië binnenvielen en het Byzantijnse Rijk versloegen in de slag om Manzikert (ook wel ‘Malazgırt’ genoemd). De Armeniërs kwamen onder Turks-Seldjoeks gezag en genoten vrij veel vrijheid, mede door hun handelspositie in Klein-Azië.

 
De Russen hadden reeds lang een imperialistische agenda in het Oosten en Zuiden. Met name expansie in het zuiden was van groots belang voor de Tsaristische Russen omdat het hen in staan zou stellen om een haven te hebben die ook tijdens de winter nog bevaarbaar was. Om zo’n haven in handen te krijgen besloten de Russen een actief beleid te voeren van verzwakking van het Osmaanse Rijk door het zowel van binnenuit als van buiten aan te vallen.
 

Jong Turken waren een groep militaire studenten die er liberale en constitutionele ideeën op na hielden en deze wilden realiseren in het Osmaanse Rijk. Het groeide van een studentenvereniging van vier studenten in 1889 uit tot een formidabele partij, die de Osmaanse sultan kon bevelen de grondwet weer in te voeren in 1908.

 
Vanaf 1890 begonnen gewapende Armeense bendes Osmaanse dorpen te bestormen en geheel uit te moorden, met als doel het verwezenlijken van een Groot-Armenië in het oosten van Anatolië. Een complete lijst hiervan kunt u hier zien:
 

Ondanks vele uren in de archieven van het Osmaanse Rijk, is er tot op heden nog geen bevel gevonden tot “vernietiging” of “uitroeiing” van de Armeniërs. Tot nu toe is er alleen een verzoek van Enver Paşa aan de minister van Binnenlandse Zaken Talat Paşa bekend op 2 mei 1915 waarin gevraagd wordt om een relocatie:

 
Mehmet Talat Paşa (1872-1921) was een politicus binnen het Osmaanse Rijk. Hij werd in de onder Osmaans gezag staande Europese stad Edirne geboren in een typisch Turks middenklasse gezin. Hij blonk uit met zijn intellect en werd al snel apothekersassistent om zich verder op te werken in de medische wereld.
 
De Eerste Wereldoorlog was een conflict tussen meerdere landen waarbij er voor het eerst sprake was van een totale oorlog. Hiermee wordt bedoeld dat alle wapens en technologieën, zoals mosterdgas en tanks, gebruikt werden om te winnen. Het geweld werd desnoods gebruikt tegen de burgerbevolking.
 
Na het verlies van de Eerste Wereldoorlog kwam er een vredesverdrag tot stand op 10 augustus 1920 in een voorstad van Parijs, genaamd Sèvres. Hierbij werd er een groot stuk land in Oost-Turkije voor de Armeniërs gereserveerd, alle Arabische provincies werden bezet, de Grieken kregen de Westkust, de Italianen Zuidwest Turkije, de Fransen kregen Zuidoost Turkije en de Engelsen kregen İstanbul en de grensstreek met Irak. Ook was er een autonome staat voor de Koerden opgenomen in het verdrag.
 
Na 1918 werd Turkije bezet door de geallieerden die de Armeniërs hadden beloofd dat zij een eigen staat zouden krijgen welke deels uit delen van Anatolië zou bestaan. De Grieken bezetten delen van het Westen van het hedendaagse Turkije, de Britten en de Fransen delen van het noorden en westen en de Armeniërs hadden een eigen gebied in het oosten voor zichzelf opgeëist (met hulp van de Russen).
 
Omdat het Osmaanse Rijk in 1919 al voorzag dat de Armeense relocaties niet naar wens uitgevoerd waren en dus een probleem zouden kunnen vormen in de internationale beeldvorming, werden er voorstellen gemaakt. Zo kregen Nederland, Zweden, Denemarken en Spanje in 1919 een uitnodiging om uitgebreid onderzoek te verrichten naar de relocatie van de Armeniërs. Er werd gekozen voor deze vier landen omdat deze neutraal waren gebleven tijdens de Eerste Wereldoorlog.
 
Wat er met de 924.158 Armeniërs, die naar de Syrische Woestijn gereloceerd zijn, gebeurd is, kan ook aan de hand van de Osmaanse, Franse en Britse documenten verklaard worden. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog was het Osmaanse Rijk vrijwel in zijn geheel bezet door Franse en Britse troepen, welke nooit iets hebben gezien wat erop zou kunnen duiden dat er sprake was van een genocide zoals in het geval van Nazi-Duitsland. Er zijn geen lijken, botten, vernietigingskampen, massagraven, skeletten of iets dergelijks gevonden.
 
Onder bepaalde Turkse bevolkingsgroepen leven veel bekritiseerde ultranationalistische sentimenten. Gelukkig maken zij maar een klein deel uit van de Turkse gemeenschap en hebben ze weinig tot geen invloed in het wetenschappelijke debat over de Armeense Kwestie. De weinige historici die ze herbergen kunnen niet serieus genomen worden door hun minimalisering en soms zelfs totale ontkenning van de feiten.
 

Armeens fanatisme gaat momenteel zeer ver, zo zijn er vele Amerikaans-Armeense beroemdheden die de publieke opinie proberen te winnen. Denk hierbij aan de van Armeense afkomst zijnde Amerikaanse sterren zoals de tennisster André Agassi, zangeres Cher, rockband System of a Down (vooral bekend door hun “Verboden voor honden en Turken”, letterlijk: "No Dogs and Turks allowed") en Ross Bagdasarian (de geestelijke vader van ‘Alvin and the Chipmunks’). Het is dan ook niet verwonderlijk dat vele miljoenen per jaar gedoneerd wordt aan de Armeense lobby in Amerika maar ook Europa.

 

Na de Armeense relocaties wijdden de Armeniërs zich vooral aan aanslagen om hun doel van een Groot-Armenië kracht bij te zetten. Zo werden Talat Paşa en Cemal Paşa in 1921 vermoord, de moordaanslagen zouden zich uiteindelijk ook richten op Turkse diplomaten en ambassadeurs in Amerika, Europa en zelfs Nederland. In 1979 werd Ahmet Benler, de studerende zoon van de Turkse ambassadeur in Nederland, doodgeschoten door de Armeense terreurgroep ASALA. De moordenaar is nooit gepakt.

 

Er wonen momenteel meer dan 100.000 Armeniërs in Turkije, waaronder de belangrijkste Armeniër, namelijk de patriarch van de Gregoriaanse kerk. Hij fungeert als de geestelijke leider van de Armeens-Gregoriaanse Kerk, die al honderden jaren meerdere kerken in Istanbul en de rest van Turkije heeft.