Van onze buitenlandredacteur Eric Outshoorn op 01 februari '02, 00:00, bijgewerkt 20 januari '09, 16:36


Al dik 80 jaar maken de Turken en Armeniërs ruzie over de massamoord op Armeniërs in het Ottomaanse rijk. Vorig jaar gebeurde er een klein wonder, er kwam een verzoeningscommissie. Maar die is ter ziele.

Een Amerikaanse universiteit aan het begin van de jaren zeventig: een jonge student wordt constant gekoeioneerd door een populaire studiegenoot 'met een grappige naam die eindigde op yan'. Het wordt de student op een gegeven moment te gortig en hij vraagt zijn plaaggeest wat er in godsnaam aan de hand is. 'Jouw grootvader heeft mijn grootvader afgeslacht', wordt hem toegebeten.

De plaaggeest is van Armeense afkomst. De aangevallen student is een Turk, Dogu Ergil, die later hoogleraar politicologie zal worden. Ergil werpt nog tegen dat zijn grootvader een bochel had, zodat hij nooit het leger in hoefde. Het incident drukt hem echter wel met de neus op feiten die hij op school nooit heeft geleerd: de massamoorden op Armeniërs in de nadagen van het Ottomaanse rijk. Sinds de studententijd van Ergil is er weinig veranderd. Turkije erkent dat er veel geweld is geweest tijdens en na de Eerste Wereldoorlog en dat er Armeense slachtoffers zijn gevallen. Maar om nou te spreken van volkerenmoord, dat is onzin, luidt de Turkse lezing.

De massaslachting onder de Armeniërs was het sluitstuk van een lange periode van geweld, want de sultans hebben zeker in de negentiende eeuw elke nationalistische opstand uitermate bloedig onderdrukt, of het nou ging om Armeniërs, Bulgaren of Kretenzers.

In de Eerste Wereldoorlog krijgen de Turkse legers klap na klap. De regering voelt zich bedreigd door het Armeense nationalisme en besluit tot deportatie van 1,75 miljoen Armeniërs naar Syrië en Mesopotamië, uithoeken van het zieltogende rijk.

De helletocht kost direct al het leven aan zeshonderdduizend mensen door honger, dorst, ziekten, mishandelingen, verkrachtingen en moorden door leger, politie, (vaak Koerdische) milities en vijandige streekbewoners. Volgens Armeense bronnen komen in de jaren 1915-1922 in totaal 1,5 miljoen mensen om.

Turkije ontkent dat categorisch. Natuurlijk zijn er veel doden gevallen, maar wat wil je in een land in oorlog dat ook nog ten prooi valt aan burgerstrijd? De historicus prof. Yusuf Halacoglu verklaarde begin vorig jaar voor de Rotaryclub in Ankara dat er 'slechts' 56.610 Armeniërs waren omgekomen door hun gedwongen verhuizing. Van de 438.758 gedeporteerden hebben er 382.148 veilig hun eindbestemming gehaald, aldus Halacoglu.

Sterker nog: juist Armeense bendes hebben zich op grote schaal schuldig gemaakt aan de moord op vrouwen en kinderen in Oost-Turkije, zegt Ankara. In het museum van de oostelijke stad Erzurum is er zelfs een apart zaaltje voor ingericht met wat harige schedels waarin kogelgaten zitten.

In de woelige jaren na de Turkse capitulatie is in Oost-Turkije door alle partijen tekeer gegaan. Ook de Armeniërs weren zich flink, blijkt uit een boek van de Britse luitenant-kolonel Toby Rawlinson dat hij in 1924 publiceerde.

Rawlinson werd in 1920 bijna doodgehongerd door de Turken die hem maanden in gijzeling hielden in Erzurum. Hij was met zijn metgezellen naar Oost-Turkije gestuurd om toe te zien op de ontwapening van de Ottomaanse legers. Hij werd in opdracht van Mustafa Kemal Atatürk opgepakt als represaille voor de gijzeling van een aantal prominente Ottomanen op Malta door de Britse bezetters.

Sindsdien regent het beschuldigingen over en weer. In de jaren zeventig werden tal van Turkse diplomaten vermoord door radicale Armeniërs, waardoor de kloof nog groter werd. Elke poging om de massamoord te bestempelen als 'genocide' lokte woedende Turkse reacties uit.

In dat licht bezien, is het een klein wonder dat vorig jaar een groep van tien prominente Turken en Armeniërs in de publiciteit trad. De leden vormden een verzoeningscommissie die heel voorzichtig zou proberen de dialoog tussen Turkije en Armenië op gang te brengen.

Maar ook deze poging is blijven steken in goede bedoelingen: binnen een jaar is het overleg gestaakt. Beide partijen geven elkaar de schuld. De aanleiding voor de breuk was het idee om het International Centre for Transitional Justice (ICTJ) - een Amerikaanse denktank - te laten onderzoeken of de gebeurtenissen in 1915 onder de noemer 'genocide' vallen.

Daar waren de Turken fel op tegen. De uitkomst zou van tevoren al vaststaan, schreef de Turkse oud-diplomaat Gündüz Aktan, de Armeniërs zouden niets anders accepteren, hadden ze volgens Aktan al laten weten. Het gesternte waaronder de tien begonnen was ongunstig. Ofschoon de Turkse delegatie op persoonlijke titel aantrad, waren alle leden afkomstig uit het establishment: oud-diplomaten, militairen en wetenschappers. Dat suggereerde op zijn minst de stilzwijgende instemming van Ankara. Tegelijkertijd verspreidde Turkije een fel anti-Armeens boek onder buitenlandse journalisten: The Armenian File van de oud-diplomaat Kamarum Gürün.

Aan Armeense zijde waren ook Armeniërs uit de diaspora vertegenwoordigd, onder wie Van Krikorian, de voorzitter van Armeense Raad in Amerika (AAA). Andere Armeense organisaties in de VS verzetten zich juist fel tegen iedere dialoog met Turkije. Sommige ontwaarden zelfs de boze hand van de VS die NAVO-partner Turkije te hulp schoten.

De Armenian Weekly, blad voor Armeense Amerikanen, stond bol van de verdachtmakingen. Tegen Turkije, maar ook tegen Armeense organisaties die wél een dialoog met Ankara voorstaan.

Rond de verzoeningscommissie is het stil geworden. De website wordt niet meer ververst. Hoofdrolspelers als Gündüz Aktan of Van Krikorian doen er voorlopig het zwijgen toe. Het onderlinge wantrouwen is weer eens te sterk gebleken.


Bron:
http://www.volkskrant.nl/archief_gratis/article919526.ece/Armeens-Turkse_dialoog_weer_doodverklaard